
De moderne manager
–19 mei 2026–
Met enige regelmaat laat Mario van Hees, manager woonzorgcentrum Polbeek in Zutphen, in een blog zijn licht schijnen op het reilen en zeilen in de ouderenzorg. Deze keer over een kantoor als ontmoetingsplek.
“Als ik aan bekenden vertel wat mijn werk is, krijg ik vaak te horen: “Is dat dan leuk werk? En zit je dan veel op kantoor?” Ze moesten eens weten hoe leuk mijn werk is en dat mijn kantoor vooral een ontmoetingsplek is, dan staan ze morgen allemaal klaar om ook bij Zorggroep Sint Maarten te komen werken.
Vandaag was een dag als alle andere. Rond 16:00 uur werk ik mijn e-mail bij en zet ik wat acties uit. Regelmatig komt er een collega om de hoek even bijpraten, want dat is hoe het hier gaat. Ik zie op de gang (ja, mijn kantoor zit gewoon op de gang van een afdeling, niet ergens ver weg gestopt) de partner van een bewoner voorbijlopen. Hij groet mij en loopt door naar zijn aanleunwoning verderop in het pand. Zijn vrouw woont bij ons en samen hebben ze besloten dat hij in hun aanleunwoning blijft wonen. Zo kan hij langskomen wanneer hij wil, ze wonen in hetzelfde pand, maar hebben ze allebei ook hun eigen plek. Een mooie, passende oplossing: onder hetzelfde dak, toch eigen ruimte, en 24 uur per dag kunnen ze elkaar zien, knuffelen en samenzijn.
Toen ik meneer gedag zei, hoor ik twee minuten later mevrouw op de gang roepen: “Ik wil niet dat je weggaat.” Ik weet dat dit bij haar ziektebeeld hoort, maar toch raakt je dit als mens. De afspraken met mevrouw en meneer zijn dat we haar dan even met rust laten, zodat ze haar emoties zelf een plaats kan geven. Ondanks dat ze bewust apart wonen, mogen deze emoties er zijn en iedereen verwerkt dit op zijn eigen manier.
Weer een paar minuten later zie ik de benen van mevrouw voorbij mijn deur komen. Ze stopt met haar trippelstoel en roept hard: “Manager! Manager!” Inwendig moest ik lachen, want mevrouw roept mij vaker, maar dan meestal “Hoor ik meneer?” of “Help mij!” Nu was ik opeens manager. Ik ben naar haar toegelopen en naast haar gaan zitten. “Heeft u mij nodig?” “Ja, klopt, ik heb u nodig.” Mevrouw kan zich moeilijk verstaanbaar maken door haar ziektebeeld, en zeker als de emotie hoog is wordt dit nog lastiger. Rustig gaan we samen op zoek naar haar vraag en dan komt het hoge woord eruit: haar man ging naar huis, en dat vond ze lastig. Ze voelt zich nu alleen. Toen ik haar vroeg wat ze nodig had, bleek ze vooral op zoek naar mensen om haar heen. Op de afdeling is ook een huiskamer waar mevrouw vaak naartoe gaat, en dat bleek precies te zijn wat ze nodig had: onder de mensen zijn.
Toen ik haar daarheen wilde brengen, kwam net een collega de gang op. Mevrouw wees haar meteen aan, haar manier om te zeggen: “Wil jij me brengen?” De huiskamer is ongeveer vijf meter van mijn kantoor, maar mevrouw had even iemand nodig die met haar meeging. We zeiden gedag, ze bedankte mij en ik haar voor deze mooie, emotionele en warme ontmoeting. Daarna plofte ik weer achter mijn bureau en dacht ik: in welk beroep ben je als manager nu zo dichtbij de bewoners, collega’s en naasten als in de ouderenzorg? En niet alleen als manager, bij ons in Polbeek en bij Zorggroep Sint Maarten is iedereen dichtbij. Niet altijd fysiek, maar wel in contact.
Mijn deur staat bijna altijd letterlijk open. Ik werk niet op kantoor, maar op een ontmoetingsplek waar ik kan zien, horen en voelen hoe het op locatie gaat. En o ja, natuurlijk ben ik wel eens in gesprek of niet op locatie. Dat is ook prima. Wie wil er nu een manager die 24 uur per dag met open deur alles hoort en ziet? Soms is ook de manager gewoon vrij.”